zaterdag 28 februari 2015

De wijze les van de manager


 

Vanaf 1970, ik was veertien, keepte ik in het Eerste van Ares. Hockeyclub in Apeldoorn. Mijn debuut maakte ik in een uitwedstrijd helemaal in en tegen Maastricht. 0-0. Ik heb vijf jaar in Ares I gekeept en daarna naar het westen. In die Apeldoornse jaren maakte ik dit mee. Stel je wel die tijd voor, maar wij trainden al als professionals. Driemaal per week, Dinsdag- en donderdagavond en op zaterdag een ‘lichte’ tactische training. Op vrijdagmiddag zelfs een extra training voor mij: keeperstraining. Behalve lekker eten bij mijn Moeder was ik die avond tot weinig in staat. Met twee aanvallers, Hans Streng en Jos Aartsen, tegenover mij werd een uur hard getraind, op de “haringtruc”. Dat is een schijnbeweging. Stick over de bal, zonder bal dus naar de ene kant, dan snel terug draaien met ballen en…schieten. Links, rechts, links, rechts. Als je je er dus steeds laat inluizen, dan vliegen de doelpunten je om de oren. Welnu: dat jaar heeft me geleerd: focus. Focus op de bal. Op die wijze ben ik nimmer meer gepasseerd. De beweging valt het best te vergelijken met de “kapbeweging” van voetballers.  Trainer en coach was Ron Soeteman, de Rinus Michels van het hockey. Ook een gymnastiekleraar, drillen als hoofdtaak. Tactisch sterk. Psychologisch ook. Soeteman rookte sigaartjes en was een slanke lat. Dus alles nét iets anders dan Michels. Hij zong wel, maar ik luisterde dan liever naar Michels. Na een jaar of wat werd het allemaal nóg serieuzer in onze pogingen de oostelijke top te halen. Wij kregen een manager. De vader van Huub. Pa van Riggelen. Ik kan wel wat verhalen wegschrijven, maar deze wil ik vertellen: de wijze les van de manager. Taken van de manager zijn onder andere: de boel in toom houden, in het gareel, allerlei mensen en de scheidsrechters een handje geven, alle administratieve rompslomp zoals het wedstrijdformulier en regelmatig een biertje geven. Bij de wedstrijden een beetje “Hup!” roepen, of “Goeie bal!”. Dat werk. Ik bagatelliseer hier bewust, want wat NIET zijn taak was, maar wél zijn daad, zijn grote daad, was het volgende. Op zondag, de laatste wedstrijd van de competitie. Bij een gelijk spel zijn wij kampioen en gepromoveerd. Bij verlies lege handen. We speelden een uitwedstrijd ver weg. Eén van de scheidsen was de coming man Japik Riemersma, 2 meter + en haar in een kuif naar achter, mét bril. Dan zag ie goed. Twee minuten voor tijd geeft ie bij de stand 1-1 (goed voor ons) een strafbal tegen. En waarom? Bij een strafcorner tegen had ik de hulp van een lijnstopper in de lange hoek. Bert Hattink. Het schot uit de strafcorner stopte hij reglementair. Daarna sloeg hij de bal over de zijlijn en maakt achter de schouder “sticks” , dat wil zeggen dat de stick bóven de schouder kwam en dat was toen verboden. Riemersma gaf een strafbal. Welnu dát is onjuist, want er was geen sprake van voorkomen van een doelpunt. Hij had niet alleen vla in zijn ogen, ook in zijn oren. Niet voor rede vatbaar. De wedstrijd ging dus door die goed genomen strafbal verloren. Dus ook het kampioenschap. Einde wedstrijd. Wij hadden dertig seconden een brok in de keel en daarna feest! Hoe zat dat? Zaterdagavond was de hele ploeg uitgenodigd, ontboden bij Pa Pinkelman van Ares. Pa van Riggelen. Het was bloedgezellig, we dachten niet eens aan de spanning voor de volgende dag. Om een uur of tien neemt Pa van Riggelen het woord: ‘…er zijn alleen maar twee mogelijkheden. We winnen of verliezen. Kampioen of niet. Promoveren of niet. Stel wij rooien het niet, wat dan? Dan heb je dertig seconden een brok in je keel en dan zet je het op feesten en doe kallem an met bier. Opgeheven hoofd. Kop omhoog. En bedenk dat er nog meer is dan sport. Dat wij weliswaar niet kampioen zijn geworden, ….maar wél een topjaar hebben gehad met één team…van vrienden… Knoop dat in je oren’. Nog immer toepasbaar. Dank je wel manager!

 

zaterdag 21 februari 2015

The girl from Ipanema. Neustadt, 1973.



 


In de mooie zomer van 1973 werk ik me als ober de blubber  en wil wel een week weg. Voorafgaand aan de week trainingskamp, hockey Ares I. Mijn vrienden zijn weg, ik heb nog geen rijbewijs, geen auto. Kom ik Ton tegen, de broer van één van mijn  beste vrienden, Paul. ‘Zullen we een week op de duim?’(Liften is dat).’ Denemarken lijkt mij wel wat. Snel terug’. Liftend bereiken wij Puttgarden, een dorpje in Noord Duitsland waar de ferry vertrekt naar Denemarken. “Ik denk dat ik door ga naar Zweden’, zegt hij. ‘O, maar de afspraak is een week Denemarken, om op tijd terug te zijn voor het trainingskamp’,  antwoord ik. ‘Ja, dat zal,’ zegt hij, maar ik haal het eerste toch niet’.  ‘En ik haal Zweden niet. Sterker nog: Denemarken ook niet. Tabé!’. En ik keer om.

Ik sta nog niet koud op mijn liftplek stopt er een Opel, what else. Een echtpaar van middelbare leeftijd. Wij nemen je wel mee, maar moeten onderweg even naar een verjaardag. Ze komen zelf uit Lübeck en moeten naar een verjaardag in Neustadt. Op de heenreis nemen zij een lifter mee naar Puttgarden. Rijden teug en komen bij aankomst in Neustadt erachter dat zijn camera in de auto ligt. Meteen weer, voor de tweede keer naar Puttgarden. En daar sta ik. ‘Nee hoor, ik heb helemaal geen bezwaar even mee te gaan naar die verjaardag. Als ik maar op tijd in de jeugdherberg ben’.  Ik heb mijn boekje met alle adressen bij me. Ik heb veel bekijks. Nu eens als lifter. Da’s wat anders. Zij spreken daar Sleeswijk-Holsteins Duits, niet te onderscheiden van een mengelmoes Gronings, Twents en Achterhoeks. Drents sla ik ook hier over, daar heb ik niets mee. Drenten ook niet. Enfin wij kunnen ons over en weer verstaan en ik word gastvrij ontvangen met dranken en happen. “Kom’, zegt de vrouw tegen haar man, ‘we moeten naar de jeugdherberg’.” Klikke veur”, twee minuten vóór middernacht, op z’n Deventers, bereiken we de jeugdherberg in  Neustadt. Onder welgemeende dankzegging aan de aardige mevrouw en meneer, bemachtig ik het laatste bed. Het voorlaatste is voor een Fransman. Gauloises met filter. Ik rook  Camel zonder. We paffen elkaars merken een paar uur lang. Er ligt een groep zwemmers uit Mönchen Gladbach. Of wij het wat kallemer an kunnen doen? Huh? Ik heb mijn plan voor de dag van morgen. En ik keer om.

De volgende prachtige zonnige zomerochtend gewassen en geschoren aan het ontbijt. Duits ontbijt is zo slecht nog niet… Ik ga op weg. Richting Autobahn.  Tall and tan and young and lovely, the girl from Ipanema goes walking. And when she passes, each one she passes goes –ah. When she walks, she’s like a samba that swings so cool and sways so gently. Then when she passes, each one she passes goes –aah. Ooh but he watches so sadly, how can he tell her he loves her. Yes, he would give his heart gladly, but each day when she walks to the sea, she looks straight ahead not at him. Tall and tan, and young and lovely, the girl from Ipanema goes walking and whe she passes, he smiles but she doesn’t see. Zij komt naast mij lopen. O, wat is zij mooi. ‘Ga je mee zwemmen, hier in het meertje?’ ‘Nee, dank je’, zei ik, ‘ik loop door naar de Autobahn en heb een ander plan’.  En dat in rap Duits. Ook in rap Duits kan ik het puntje van mijn tong wel afbijten. Ik bedenk me dat ik geen zwembroek bij me heb ….  Ik weet nu al dat ik in 2015 spijt zal hebben. En ik keer om. Ga op weg naar de Autobahn.

Ik heb snel, ook weer héél snel, een lift en verdomd naar Frankfurt. Een ferme stap voorwaarts. De volgende lift brengt mij met gezwinde spoed in München. Het doel. Ik dank de meneer van de lift. En ik keer om. Richting stad. Restaurant. Slaapplaats. De volgende dag voer ik mijn plan uit. Ik draai me om en slaap.

Het is 1973. Een jaar ná het niet te beschrijven drama van de brute gijzeling door de Palestijnse Zwarte September  op elf Israëlische sporters, deelnemers aan de Olympische Spelen 1972 te München. Slap ingrijpen om de gijzelaars te bevrijden van de gijzelnemers leidt tot de dood van mijn sporters. “The Games must go on”, zegt de gek Avery Brundage. Ik ga naar het Olympisch Dorp. Ik hoef niets te zien. Geen stadion. Niks. Ik zoek het moment.  Ik zoek het monument. De plaquette. Met hun namen. Niet vermoedend welke enorme rol André Spitzer in het leven van Yoni, Avital en mij later inneemt. Ik heb altijd een keppel op zak. Ik zeg –niet droog-  Kaddisj. Het gebed voor de doden. Doe drie stappen naar achteren. En ik keer om.

zaterdag 14 februari 2015

Uit de oude schoenendoos. Voor de Lochemers.


 


Lochem. Dat is waar ik geboren ben. Wat ik mij ook  herinner is dat ik tweemaal per jaar met mijn Moeder schoenen ging kopen. Mijn Vader handelde in huiden, leer en pickers. Dus leren schoenen. Om meerdere redenen. Mijn Moeder nam mij dan altijd mee naar de schoenenwinkel van Beumer in de Walderstraat. Vroeger, vóór de oorlog, werd deze straat de Jodenbreestraat genoemd, omdat er toen nog –naar verhouding- veel Joodse winkels waren. Ook één van Vromen. Er was nóg een schoenenwinkel, Swaters op de Nieuwstad, maar daar ben ik nooit geweest. Zowel mijn Moeder als later ikzelf kochten bij door mijn Vader geautoriseerde winkeliers. Het moge zo langzamerhand duidelijk zijn waarom. Dat mijn Vader visie heeft gehad blijkt uit het volgende: Lochem spreekt een woordje mee. De kleindochter van Beumer is de echtgenote van de minister Plasterk. Is het nou PLAsterk of PLAAsterk? Da’s mooi voor Lochem. Mijn Moeder en ik op weg naar de Walderstraat. Haitsma Mulierlaan, Nieuweweg, Kastanjelaan, Tuinstraat, ’t Ei, de Biermarkt, de Markt en links in de hoek de Walderstraat. Je denkt hij heeft Google maps erbij of een Tomtom, niets van dat al. Uit de blote kop, als de dag van gisteren. En ik kan het weten. Ik ben er getogen. In de zin van afgereisd, zie de enorme reeks aan straatnamen; en in de zin van grootgebracht. Nu in een hop en een sjtop, een poep en een scheet, toen een wereldreis. Aangekomen bij de winkel. Eén raam met Beumer Schoenen. Dan wist je waar je moest zijn. Rechts de deur, met koperen beslag en zo’n ding om met je duim naar beneden te duwen. De winkelbel belde en een stoffige –voor mij - oudere vrouw kwam van achter een gordijn de winkel binnen. ‘Goedemorgen (met naam en toenaam), waarmee kan ik u helpen?’  Ik: ‘Huh???’.  Mijn Moeder: ‘Ik denk dat wij voor schoenen voor Bert komen’.  Enfin er kwamen schoenendozen uit de stellingen en die stellingen begonnen al in de winkel. In het midden –zo groot was het niet- twee of drie stoelen in twee rijtjes met de rug tegen elkaar aan en twee van die kleine k-bankjes, waar jij dan je voet op moest zetten en die stoffige dame ging op het zadel. In amazonezit, anders zou je haar recht in het kruis kijken, Daar was het de tijd nog niet voor. Jaren vijftig, zestig kapsel. Welhaast plat Lochems. Dah ken ie niet verstoan. Diverse dozen (schoenendozen) werden tevoorschijn gehaald en passen met de handel. De twee torens met dozen leken verdacht veel op het grootse wolkenkrabber project van Rem Koolhaas in Rotterdam. ‘Zijn ze stevig?’, vroeg mijn Moeder, naast mij. ‘Ja’, zegt Amazonika, ‘en hij (ik) heeft nog een centimeter ruimte bij de grote teen’. ‘Zitten ze goed, jongeman?’, zegt de verkoopster. ‘Ja, dat wel’. En… ik ging staan, en passant in de spiegel kijkend. ‘Ze staan ook goed’, becommentarieerde ik. De kalle zag de gein van de woordspeling en de multifunctionele toepassing van het woord staan niet helemaal in. En verdomd…. Wat krijgen we nu? Hij liep naar buiten! Deur open en links af de Walderstraat in. Een minuut later kwam ik terug. Mijn Moeder met de rechterhand voor haar mond de lach verstoppend en bijna in de broek piesend lag helemaal in een deuk toen ik zei: ‘…En ze lopen ook wel lekker…!’.  

zaterdag 7 februari 2015

Als een perpetuum mobile, nou zoiets...


 

Eeuwigdurend, altoos succes, dat moeten de productontwikkelaars bij Unilever voor ogen hebben gehad. Mijn buurjongetje in Lochem, Ruud van de Velden, toen nog Rudy, speelde altijd met Meccano. Ik croste op mijn doortrappertje van veldje naar veldje of er nog een balletje te trappen was en anders bij ons thuis voetballen in de tuin. We keken wel op woensdagmiddag naar Tante Hannie Lips en De Verrekijker, Pipo de Clown. Welnu, die Ruud zo’n 27 jaar geleden weer eens tegengekomen, bij ons thuis met zijn Engelse vrouw op de thee. Zelden zo grijs. Ruud vertelde hij is Quality Manager, chef kwaliteitscontrole, wereldwijd van het bekende merk Magnum. De ijsjesbom calorien. Ik begin het een beetje te begrijpen. Nu ik dit blog schrijf moet ik aan hem denken. Met alle beschikbare zoekmachines hij is niet te vinden. Dat op zich vind ik wel jammer, misschien hebben we mekaar nu iets te vertellen. Enfin, mede dankzij hem is dat ijs wereldwijd een kraker. Krakend ijs. Komt daar vandaan. Nog zo’n succesvol marketingproject van Unilever wil ik je niet onthouden. Daar over zo. Eerst: mijn gedachten gaan alweer zo’n slordige 40 jaar terug, naar de Chevrolet Nova. De auto wordt in de Verenigde Staten ontwikkeld en geintroduceerd. Gelijk álle records verbroken. Wat een enorm verkoopsucces. De heren stijgt het naar de kop. Zuid Amerika moet veroverd worden. Voor vele honderden miljoenen wordt een fabriek neergezet in Brazilie. De trein wordt in gang gezet en de auto’s rollen van de band. Een gigantisch dealernetwerk. Miljoenen in marketing. In reclame. Het hele land wordt bevoorraad en… wat denk je…géén auto wordt verkocht. Wat een zeperd. Een krieje. Achteraf denk je: hoe hebben ze het kunnen verzinnen, maar nu pies je in je broek. In de raad van bestuur zitten allemaal Amerikanen. Native English. Geen pepernoot taalgebruik van over de grens. Laat staan dat ze notie hadden van Spaans, Portugees (wordt in Brazilie gesproken).  De casus van de Chevy Nova komt voor in elk marketingboek als het briljante voorbeeld. De klassieker. Toen uiteindelijk de arrogante leiding van Chevrolet zich liet voorlichten over “no va” briesten ze als wilde stieren de hele tent af tot ver in Detroit. Iedereen de laan uit. No va betekent in het Spaans: ‘doesn’t go’, ‘gaat niet’ (loopt niet, doet het niet, rijdt niet). No va kan ook betekenen een “no go”. Welnu een no go verder werd het. Terug naar Unilever. Naar Ambi Pur. Wie kent het niet? Ik, ik kreeg er lucht van... De eerste paar maanden van 2012 een paar nachten, iets meer, gelogeerd in het immer gastvrije en deskundige VUMC. Vrije Universiteit Medisch Centrum. Ik kwam er nogal ‘s. Dat was vóór mijn trip naar Utrecht. Over Utrecht kan ik je geen klacht mededelen en over de VU ben ik ook zeer te spreken. Op alle fronten. Eén van de meest triviale gebeurtenissen echter is de volgende. Ik lig er een kleine week, decompensatie en hang aan de afwateringspomp. In mijn kamer boven de wasbak en spiegel een plankje, met daarop een transparant plastic bakje. ‘Wat is dat?’, vraag ik. ‘Dat is de luchtverfrisser’. ‘Die heb ik toch niet nodig, wel?’ De lieve verpleegkundige reikt naar boven en pakt het potje. Dat denk ik, want ik keek halfhoog. ‘Zie je wel. Ambi Pur’. Een hardplastic halve cilinder en de bovenkant  open met een heleboel gaatjes. Tochtgaatjes. Luchtgaatjes. A ha!  Daar komt dus de frisse lucht vandaan! Ambi Pur Crystal Gel. Zo heet het. Het staat er op. Ik maak een notitie om het voor thuis ook te kopen. Ruikt lekker en je hoeft niet steeds aan die vieze dingen te zitten of op een spuitbus te knijpen. Ik zet er dus één op het toilet en één op mijn eigen, in de badkamer. Het is een merk van Unilever. Dan zal het zeker goed zijn. In eerste instantie koop ik het bij Albert Heijn online. Prima systeem, als je even geen zin hebt. Later koop ik het ook bij Jumbo……het staat op mijn lijstje. Wat denk je. Nul op rekest. Albert Heijn heeft het ook niet meer. C1000 dan. Verrek, ook niet. Ik vloek. Struin het internet af. Waar kan ik Crystal Gel kopen? Ik beland in oeverloze discussies van de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen, dat Crystal Gel parels daar en daar ook niet te koop is, maar wel in Drenthe volop aanwezig. Nou wil ik niet naar Drenthe en wil ik niks uit Drenthe en ben mooi in de aap gelogeerd. Denk ik. Ik heb alle tijd dus ik lees nog even verder mee met het geacht forum naaikransje. Zit je in je stoel? Zet je schrap! Tip 11: als de gel parels opgedroogd zijn – en je eigenlijk een nieuwe moet kopen- moet je het bakje vullen met water. Resultaat: de pareltjes blijven ruiken, fris ruiken. Het water verdampt. En je vult maar weer. Het staat er écht!  Keer op keer. Altoos. Eeuwigdurend. Nog steeds zie ik het niet in de winkels, assortiment van Heijn online, niet in mijn Jumbo, Hallo Jumbo! op het Groenhof. Ik zoek niet verder. Ik koop ze niet meer. Dat zal toch niet de wens zijn van Meneer Unilever. Of Mevrouw Ambi Pur? Een product op de markt zetten, dat zó succesvol blijkt te zijn, zó goed van kwaliteit, dat je het nimmer meer nieuw hoeft aan te schaffen. Zou Ruud van der Velden daar achter zitten? Dit is nog ’s kwaliteitscontrole! Hoe dan ook: zegt het voort. Zegt het voort. De Ambi Pur Crystal Gel parels zijn als een bewegingloze perpetuum mobile op het water closet van mijn toilet.  Zoals een oud Hollands woord ons leert: altoos. Eeuwigdurend.

 

 

 

zaterdag 31 januari 2015

Het Witzenhausen effect.


  

 

imagesW31XAV1G Witzenhausen.jpgWitzenhausen  is een dorpje in de Duitse deelstaat Hessen. Het woord witz kennen wij. Ja toch? Het kan ook een verbastering zijn (nee hoor) van wittiesj. Onnozel. Hebben we vandaag de dag nog tijd? Tijd voor elkaar? Tijd voor een beetje gesprek? Uberhaupt interesse in elkaar?  Youp van ’t Hek heeft jaren geleden iets geroepen over de diepere discussies in het televisieprogramma Goeie Tijden, Slechte Tijden. Ik heb dit nog nooit gezien, ik zat op zolder. Ik citeer:  ‘Dag!’ ‘Dag!’ ‘Hoe gaat ‘t?’ ‘Nou, dag, tot ziens!’   En dan heb je tegelijk het niveau van de diepere discussie, zo voegt Van ’t Hek toe. Ik begrijp ‘m. Anno nu en zeker ná mijn eerste hartproblemen wordt te pas en te onpas, maar uitsluitend opportuun, gevraagd hoe het met je gaat. ‘Ja, hoor ’t gaat goed.’ Je ziet de ander denken…..’nou dan zal het binnenkort wel slechter gaan…’, of:  ‘Mwah, nee niet zo best…’. Verdomd: de ander denkt: ‘ik hoop maar dat het dan nóg minder zal gaan’. Kortom niemand interesseert zich in de ander, in jou. Eigen belang voorop. De goeden niet te na gesproken! Het zijn nietszeggende plichtplegingen. Karakterloos. Oppervlakkig. Helaas ken ik er maar al te veel. Eentje wil ik je niet onthouden. Ná de dienst voor de Bar Mitzwah (kerkelijk meerderjarig) in sjoel (synagoge) van de zoon van één van mijn allerbeste vrienden –die inmiddels helaas kort hiervoor is overleden -  het is voorjaar 2001, haal ik een kop koffie. De dienstdoend Chef Schenken ken ik. Jarenlang is ie met mij meegereden naar Ajax. Hij zat in de verf. Ik noemde hem ‘Rembrandt’.  ‘Goed Sjabbes (goeiemorgen vandaag), mag ik alsjeblieft een kop koffie?’ Hij quasi verbaasd:  ‘Hé, hoe is het met je?’ Ik: ‘Dat wil jij helemaal niet weten…’.  En ik pakte mijn koffie. Als ie het had willen weten dan had ie ooit eens gebeld, of zo. Wat een lougeiwes. Wat een flapdrol (Tweede Kamertaal). Ik noem dat ‘het Witzenhausen Effect’.

zaterdag 24 januari 2015

Mijn taal.


 

 

Iedereen heeft zo zijn/ haar eigen taal. De taal van het land waarin je woont, de streek, de stad, het dorp. Of tot welk een gemeenschap behoor je. Of een beroepsgroep. Straattaal, markttaal, dieventaal. Bargoens. Van de oude talen –de Tenach of het Oude Testament is genoteerd in het Aramees en Hebreeuws -  is in die zin niet veel over, dat Aramees niet meer gebezigd wordt, een dode taal, en het Hebreeuws gemoderniseerd is tot Ivriet, modern Hebreeuws. Het  Ivriet is eind 19e eeuw ontwikkeld door Eliezer ben Jehoeda. Mijn beste vrienden wonen in ‘zijn’ straat in Tel Aviv. Een korte verklaring: de Joden in de Diaspora en woonachtig zeg maar in Centraal Europa spraken vroeger ook al met elkaar en als er iets ‘geheim’ moest blijven, werd al ras overgestapt op Jiddisch. Simpel gezegd een mengelmoes van Hebreeuws en Duits. Aangevuld met her en der alles erbij. Het Jiddisch overigens werd geschreven met Hebreeuwse letters. Volgens mij omdat dan het geschrevene ‘geheim’ bleef, of beter wellicht: men was het schrijven van de plaatselijke taal niet machtig. Ja, ook bij ons thuis als mijn Vader en Moeder iets bespraken dat niet voor mijn oren bestemd was…   Vanuit Duitsland geredeneerd heb je onder andere het Oost Jiddisch en het West Jiddisch. Daarvan vind je nog veel verwantschap in de Nederlands streek- en familie varianten. En zo brachten de Joden met name in de periode van De Verlichting hun taal mee, Zo ook mijn voorvader Samuel Michiel Vromen, die zich in tussen 1765 en 1780 vestigde in Lochem. Hij kwam van Urbach, bij Neuwied in Duitsland. De taal ging over van generatie op generatie. Sterker nog: in Amsterdam, waar vóór de oorlog tien procent van de bevolking Joods was, wordt een flinke partij “Joods” gesproken. Echt geloof me, zowel in het Amsterdams, als in het Nederlands komen duizenden woorden en gezegden voor met een Joodse herkomst. Als ik dat allemaal ga benoemen…. Er zijn genoeg boeiende naslagwerken, ook op het internet met betrekking tot West en Oost Jiddisch. Standaardwerken zijn de boeken van Hartog Beem – één voorbeeld zijn boek ”Jerosche”, dat erfenis betekent, als ook het prachtige woordenboek van  Justus van de Kamp en Jacob van der Wijk (Contact 2006): “Koosjer Nederlands”. Joodse woorden in de Nederlandse taal. De taal die ik van mijn Vader en Moeder heb geef ik door aan Yoni en Avital. Volgens het principe “slippage’ heb ik ooit honderd woorden geboord, tachtig vond ik mooi, zestig heb ik onthouden, veertig gebruik ik regelmatig en twintig bezig ik wekelijks en vijf dagelijks. Zoiets. Wat ik probeer te stellen is dat taal helaas aan tijd gebonden is en met die tijd vergaat. Uit de tijd gaat. Zie ook ons Nederlands. Zo ik al veel minder woorden gebruik dan mijn Ouders, zo kan ik niet van mijn kinderen verwachten dat zij wél weer alles oppakken en benutten. Van binnen straal ik dan ook van geluk als er af en toe zo’n woord door mijn kinderen wordt gebezigd!

In een hop en een sjtob (Jiddische uitdrukking, betekent: in een wip, no time) naar Het Parool, léés die krant, van een paar decades geleden. Op Oudjaar, 31 december was er steeds een hele pagina gevuld met ‘wat wél moet blijven in het volgende jaar’ en ‘wat niet moet blijven’. En Henk Spaan deelde de oliebollen uit. Wie schetst nu mijn verbazing dat in het Nieuwjaarsnummer van het Nieuw Israelietisch Weekblad, de Rosh Hasjana editie van 19 september 2014 over de twee pagina’s in het hart van de krant de redactie met het volgende komt: “10 dingen die weg/ blijven moeten”. Eén van die gastjes zal waarschijnlijk door zijn collega’s de hemel in zijn geprezen voor dit briljante, creatieve idee. De persoon zal beslist hebben gedacht “goed gepikt is beter dan slecht nagemaakt”.  Nu heb ik niet vaak zo’n stelletje schlemielen bij elkaar gezien…. Zij hebben het volgens de kop over “10”, wat denk je… ze komen niet verder dan negen! Willem Tell. Als het hun bedoeling was mijn mening te geven over wat moet blijven…, nou dan zeker die redactie niet. Eén van de items is: “Nesjomme”(dat betekent ziel). Onder MOET WEG schrijft men: “Het koketteren met Jiddisje woorden en gezegden om de eigen Jiddisjkeit te benadrukken is oubollig, ouderwets en geforceerd en zorgt voor een afstand tot onze niet-Joodse medemens”.  Bij MOET BLIJVEN wordt geschreven: “Het is enig dat er nog menschen zijn die Jiddisje uitspraken in hun idioom hebben. Het is een teken van nesjomme. Nog belangrijker is dat ze deze, door ze te blijven gebruiken, doorgeven aan volgende generaties”.

Doe er dan wat aan! De Facebook pagina “Mokums Amsterdam” geeft de lezers dagelijks één woord. Fantastisch! Ik heb een paar taalvirtuozen en collega boeken schrijvers gekend, beiden expert in het onvervalst authentiek Amsterdams Jiddisch. Dikke chawwers. Dave Verdooner en Hans Sarfaty. Beiden helaas niet meer onder ons. Een genot om naar hen te luisteren. En dát heb ik veel gedaan. Nu is er mijn chawwer, vriend Leo Groenteman. Er zullen ongetwijfeld nog een paar anderen zijn, maar die hoor ik niet. Zo ken ik ook een oude niet-Joodse mevrouw die in elke zin –geschreven of gesproken- minstens één Joods woord gebruikt. Kijk, dát vind ik nou misplaatst. Onder het mom: Kijk mij nou ’s goed zijn! Wat te verbergen? Kan ik bij je aankloppen voor een onderduikadresje?

Hoe dan ook: in mijn eigen taalgebruik, in mijn boeken, in mijn blogs, in mijn brieven, ik zal mij altijd blijven bedienen van die woorden die ik reken tot MIJN TAAL!


zaterdag 17 januari 2015

Varkens in een omgekeerde wereld.


 

Eigenlijk te gek voor woorden: het is nu Sjabbat, Sjabbes en ik schrijf over varkens. Op zich al een omgekeerde wereld. Hoe zit het? Ook op internet volg ik nieuws. Het nieuws en de waan van de dag vandaag: “Oxford University Press heeft ‘varken’, ‘zwijn’, ‘worst’, ‘spek’ en andere aan varkens gerelateerde woorden in alle kinderboeken in de ban gedaan”.  Schijtlijsters zijn het. Hoe je het ook wendt of keert het slaat als een tang op een varken, boeren en varkens worden knorrend vet, dat varkentje zullen wij wel even wassen, het varken is tot op het oor na gevild, rozen voor de varkens strooien, schreeuwen als een mager varken, veel varkens maken de spoeling dun, onze varkens worden niet vet. Zo dom als het achtereind van een varken. Vraag: wordt het met de sharia in oprichting verboden varkens te fokken, te slachten, te eten? Nette mensen brodeloos maken? Menigeen een lekker stukje vlees onthouden?  Hallo jongens, wakker worden! Het is al een omgekeerde wereld. Nu –voor je het weet-  ook al is het varken voor mij niet koosjer en voor islamieten onrein, dan nóg hoeven de sjaria machers jouw en mijn taal niet te verkrachten. Waar gaan we naar toe?  Toen ik jaren geleden eens op vakantie in Portugal in een restaurant in een vitrine een varkensoor ontwaarde, althans ik wist niet wat het was en vroeg er naar. Ik kreeg de uitleg. Een varkensoor, Schijnbaar een delicatesse. Varken is niet koosjer. Onrein, Een Jiddisch woord is CHAZZER. Onrein. Vies. Vul maar in. Een chazzeroor (ook chazzerer) behoeft geen nadere uitleg. Ter plekke belde ik de oudste zoon van mijn Ouders en vertelde hem dat ik hem zojuist was tegengekomen. In de omgekeerde wereld.