vrijdag 4 juli 2014

Tour de France

Wat ik met de Tour de France heb? Niet zoveel. De Tour de France start vandaag 5 juli 2014 in Leeds. En bij mijn weten ligt Leeds in Engeland. Door het niet-aflatende geouwehoer over doping is de lol er wel van af. Of je gebruikt, of je gebruikt niet. Mij een zorg. Maar jok er niet om. Aan valsspelen heb ik een hekel. Als niemand dope gebruikt is de beste de beste. Als iedereen dope gebruikt is de beste ook de beste. Eddy Merkcx óf Lance Armstrong. Al blijft mijn favoriete wielrenner aller tijden Gino Bartali en dat is niet omdat één van zijn bijnamen De Vrome is. Wat er allemaal op zijn palmares staat voert nu te ver, maar geloof me Bartali heeft ook tweemaal de Tour de France gewonnen. In 1938 en 1948. Bartali was een Toscaan, een man van eenvoud, een devoot katholiek. Tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft hij mede op verzoek van Paus Pius XII, uiteindelijk het leven gered van 800 Italiaanse Joden. Die zaten ondergedoken in een klooster in Assisi. Hij heeft menig document in het frame van zijn fiets mee gesmokkeld. Een hoge onderscheiding heeft hij postuum gekregen van de Italiaanse president en vrij onlangs is hij geëerd met de Yad Vashem onderscheiding, dé Israelische medaille voor de Rechtvaardige onder de Volkeren.  Een rechtschapen mens, dat was ie. Een held. Een grote. Zijn zoon Andrea nam de medaille in ontvangst.

Wielrennen is niet zo mijn sport. Rondje rond de kerk al helemaal niet. Aan fietsen had ik altijd een broertje dood. Alleen uit noodzaak. Functioneel fietsen. Inmiddels 50 minuten per dag. Toch is er een tic overgebleven. Ik zal dat zo meteen vertellen. Eerlijk is eerlijk de wielrenploeg van Peter Post met mannen als Jan Raas, Gerrie Knetemann en Henk Lubberding zorgde er toch wel voor dat ik op het puntje van de stoel ging zitten. Echte mannen eten geen soesjes. Maar dat is lang geleden.  Ook lang geleden, maar als de dag van gisteren herinner ik mij de jaarlijkse zomermaand in Knokke, Belgie. Daar hadden we een flat en verbleven een hele maand in Knokke. 
Ook aan Knokke heb ik mijn hart verpand. Het Lunapark met de drie honkbalkasten, de boulevard, de broodjes filet préparé, het ijs van Au Pingouin  en ja het strand. De trapautootjes.  Bij Jozef en Marie (hoe verzin je het?) huurden mijn ouders een houten huisje, daar stonden dan al  onze spullen en de stoelen. Jozef was winterschilder en in de zomer de godganse dag van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat in de weer op het strand. Een witte broek tot op de kuit en blote voeten, een marineblauwe visserstrui pet schuin op de kop, een shagje hing de hele dag tussen zijn lippen. Zijn zwarte kop kwam niet van de schoorsteen, maar van de zon. En die is daar ook lekker. Marie was ook hartstikke bruin. Liep altijd met een wit schort met een grote strik boven de kont. En een hoofddoek, zo’n grote zakdoek. Het ene been, of  het andere was iets korter. En een Freek de Jonge bril. Beiden –en dat meen ik – waren schatten van mensen. In de jaren 50, 60 waren zij al dik aan de pensioengerechtigde leeftijd.

Gerrie, de schat, zij ruste in vrede,  ons meisje voor dag en nacht, ja zo heette dat vroeger, was ook altijd mee naar Knokke. En zij ging met de kinderen vooruit. Later kwam mijn moeder en mijn vader ging dan eerst over de boulevard, de Zeedijk (niet te verwarren met de Amsterdamse) wandelen. Voor zijn gezondheid. In zíjn witte tropenpak en met witte pet. Zonder das. “Pap, waarom draag je hier geen das? ‘, vroeg ik eens. “Wie kent mijn tooches in Knokke”, was het antwoord. Dat wordt nog veel gebezigd. 
De Hollandse berg, Alpe d’Huez, je schaamt je er voor tot dat klootjesvolk te behoren dat stomdronken en lallend de polonaise hupsakeet midden op de weg zodat de wielrenners er niet langs kunnen. Als je het over doping hebt…de gekte is bij deze massa toegeslagen, ingeslagen als een bom. En een lol dat ze hebben. Ik heb terstond mijn paspoort in de prullenbak gemieterd. Ik heb het nog niet eens over de kwal:  de organisator van Alpe du Zes, een wielertocht ten bate van kankeronderzoek. Die met geld van ruimhartige gevers er vandoor was. Twee ton, dat is een half miljoen gulden, hoor! Een paar tientjes. Toen ik mijn loopbaan begon bij Het Parool was er gedurende de Tour dagelijks een bijeenkomst van de liefhebbers, op de sportredactie.. Het werk werd stilgelegd en wij zaten allemaal gekluisterd aan de radio. Eén van de sportredacteuren hield het allemaal nauwkeurig handmatig bij. Computers waren er nog niet. Vóór de Tour kocht je je in voor vijftig gulden. En je had je eigen ploeg. Je koos uit iedere échte ploeg één renner en tezamen vormden zij jouw ploeg. Afhankelijk van de resultaten verdiende je winnaarsbonus. Alle klassementen werden bijgehouden, als ook de nummers 1 t/m 10 per etappe. Boter bij de vis. Het was immer één groot feest. Eén jaar had ik een ploeg samen met Dik Bruynesteijn. De tekenaar van de strip Appie Happie. Dik woonde in Eemnes en kwam hooguit één keer per week zijn strips brengen. Enfin, samen hadden we dus een ploeg. De renners koos ik, als hij maar de naam van onze ploeg mocht bedenken. “Sjappo bas”.  Die paar tientjes die we verdienden haalden het niet bij de enorme lol!

Mijn voorliefde voor Knokke is algemeen bekend. Al meer dan 58 jaar. Op het strand in Knokke wordt een bijzonder spel gespeeld. Je tekent in het zand een circuit, route, etappe. Begin- en eindstreep. Met jezelf of tegen een vriendje, maakt niet uit. Je stelt je renners netjes op en het aantal ogen dat je met twee dobbelstenen gooit is het aantal lengtes van de rennertjes die je vooruit mag schuiven. Annelies en ik waren een paar weken geleden in Knokke en wat denk je: het eerste dat ik op de boulevard  koop in de speelgoedwinkel is een half dozijn van die mannekes. Voor mijn kleinzoon Levi, nét 1 jaar. Ik denk dat ie het prachtig zal vinden. De Tour de France op het strand.






zaterdag 28 juni 2014

Ik ben vóór Mexico. Jij toch ook?

Wie helpt me? Ik zit in gewetensnood. En dat zit zo. Morgenavond is het 29 juni 2014. De dag van Nederland – Mexico op het wereldkampioenschap voetbal in Brazilië. De achtste finale, dus daarna nog drie. Zestien jaar geleden op 25 juni 1998 was ik erbij. In Frankrijk, St. Etienne en meer in het bijzonder het Stade Geoffrey-Guichard. Wereldkampioenschap. Nederland – Mexico. Uitslag 2-2. Onbevredigend. Niemand won. Ik ook niet. Nederlandse doelpunten van Cocu en Ronald de Boer. De laatste vijftien minuten was het van Nederland slappe hap en Mexico had het Haags kwartiertje behoorlijk onder de knie. In de vijfenzeventigste en in de allerlaatste minuut maakten we alsnog gelijk.  De gewetensnood, ofwel de situatie van morele twijfel morgenavond tussen 18.00 en 20.00 uur overvalt mij. Ben ik vóór Nederland, of ben ik vóór Mexico?
Wat een mafkees zullen velen denken.
Hoe zit het nu werkelijk?
Als twee Joden met elkaar staan te schmoezen en er komt een derde bij en zij kennen hem niet, dan vraagt de één aan de ander: “Mexicaan?” “Ik ken ‘m niet…”, zegt de ander, “…zal wel een Hilversummer zijn”. Wat is nu een Mexicaan? Een Mexicaan is een Jood. Nederlands-Jiddisch, straattaal, markttaal, Bargoens. En vermoedelijk komt Mexicaan van het Jiddische (Duitse) “mag sie keiner” (niemand mag hem).  Dus een Mexicaan is een Jood en andersom. En vooraleer er vragen komen: een Hilversummer verwijst naar Hilversum in ’t Gooi. Een synoniem voor een goj, niet-Jood.
De wedstrijd van morgen ga ik zeker bekijken. Het wordt vast een spannende boel.  Al zal ik de gewetensnood niet van me af kunnen schuiven. Gevalletje van morele twijfel.



zondag 22 juni 2014

Oetsen - Alleen voor bridgers!


Oetsen is zoiets als foppen. Mijn favoriete Facebook pagina is Mokums Amsterdam.
Op 7 mei 2014 had ie weer ’s wat. De verklaring van het woord oetsen. Kan niet ongemerkt voorbij gaan. Voor mij is oetsen: foppen. Iemand voor de gek houden, op het verkeerde been zetten. De term gebruik ik alleen bij bridge. Als ik dus weer iemand ge-oetst heb.  Uit jarenlange ervaring is het mogelijk een hele waslijst aan oetsfeestjes op te schrijven, maar dat zal ik niet doen. Ik beperk me tot drie gevalletjes van lachen. Zo lachen dat ik ze vandaag nog weet en morgen niet vergeten zal zijn.
Ik heb lang een vrouw als bridgemaat gehad. Op een gegeven moment werd het –laat ik het netjes zeggen- voor de eerste keer onmogelijk voor mij het partnership te continueren. Ik besloot dat ene spelletje, die tafel en de hele avond verder uit te spelen. Na het bewuste spel zei ik dat ik haar op het einde van de avond nog iets moest vertellen. Het was Schlusz. De volgende week kwam zij met een andere partner op de club, Continental (voor de kenners). Ik kwam ook met een andere partner. Ik speelde een spel en de bewuste ex-partner zat links van mij. Op tafel in een bepaalde kleur Vrouw, klein. Ik had zelf Aas, klein, klein. Alleen met een Chinees snit zijn er drie slagen te maken. En dat is onder je Aas uit spelen, standaard is dat de tweede man klein gooit en dan loopt ie dus naar de Vrouw, want zij weet niet dat ik de Aas heb, die kan zo maar in de vierde hand zitten…. De Heer moet dus dan wel links zitten. Is de Heer in de rechterhand dan verlies ik altijd ook de Boer. Enfin, je ziet ‘m al aankomen. Klein door mij, klein links, Vrouw bij de dummy en klein in de vierde hand. Slag 1. Na de vrouw kleintje terug naar mijn Aas, slag 2 en weer een kleintje terug naar de dummy, alwaar getroefd wordt. Slag 3. Met dit Chinees snit (jargon) had ik dus héél grote inwendige lol. Immers 3 (!) slagen, goed voor een TOP (hoogste score op dat spel). Met ene pokerface moest ik van binnen lachen. Hard lachen.
Een jaar of vijf, zes geleden speel ik op een toptoernooi in Het Witte Huys Amsterdam. Eén van de prachtlocaties om dagelijks te bridgen. Mijn pech: we speelden tegen toppers. Mijn mazzel: dan word ik altijd veel beter. Zo ook tegen de meesterklasser Y.S.: ik doe een eindbod 3 sans atout (zonder troef, negen van de dertien slagen maken). Die 3 sans atout van mij suggereerde (het wordt wat lastig, sorry) een dekking in de Schoppen, de geboden kleur door S. en zijn partner. Die had ik niet! Wel mijn maat. S. komt dus NIET met die kleur uit. Had ie dat wel gedaan, dan was het een drama voor mij en was ik twee down, twee slagen minder dus en een slechte score rijker. Nee, S. komt uit met een andere kleur en ik fiets (oets!) 3 sans atout plus twee binnen! Top score! S. ligt er vast nog wel ’s wakker van….
Derde en nu laatste voorvalletje van oetsen had ik met één van mijn bridgemaats: Nico. De tweede keer dat we samen speelden hadden we nog niet zoveel afspraken gemaakt, dus het was een beetje Spielerei. Ook leuk. Dat merk je nu. Ik heb een hand met nul klaver, zeven ruiten ( Aas, Heer, Vrouw en vier kleintjes), drie harten (Vrouw, klein, klein) en drie schoppen ( Vrouw, klein, klein). Afhankelijk van wat Nico in zijn hand heeft lijkt vijf ruiten een optie, maar die levert niet zoveel op. Het ligt in de lijn der verwachting dat iedereen met deze kaart één ruiten opent. Ik niet. Ik opende met één klaver. Wat dat allemaal inhoudt is nu niet relevant, maar ik kom zo snel achter wel of niet een vijfkaart harten of schoppen bij Nico. Enfin, Nico antwoordt één schoppen (vijfkaart) en ik til naar vier schoppen. Eindcontract. Afgezien van het feit dat Nico ‘m briljant afspeelt wordt het spel met een overslag afgesloten. 450 punten voor ons. Het hele veld zat in vijf ruiten. Goed voor 400 punten. Vier schoppen was ook al goed geweest, dat levert namelijk 420 punten op. Degene die ge-oetst werd en dat ook duidelijk liet merken (…) heeft deze droefenis meegenomen in z’n graf.
Oetsen dus. Zo goed Mokums?


maandag 9 juni 2014

Een kruimeltje is ook een brood

Vannacht werd ik wakker en dacht aan het woord boterham. Ik werd er wakker van, want kennelijk vond ik het een raar woord. En waarom, zal ik proberen te beschrijven.

Zij die mij kennen weten dat ik van lekker eten houd en daar ook veel over praat. En aan Brood heb ik al ’s een blog gewijd. Nu de boterham. Ik vind het zo’n mesjogge woord. Beslist géén Joods woord. Ham is van een varken en niet koosjer. Melk en vlees dienen in een koosjere omgeving gescheiden te zijn. Dus boter én vlees en dan nu zelfs ongeoorloofd vlees. Wat heb jij op je boter? Ham? Wat heb jij op je boter? Ham! Een boterham is een plak gesneden brood. Boter er op en beleg.

Ik kan hele verhandelingen houden over kapje en kontje. En over beleg. De ideeën in mijn familie over beleg met brood zijn, in tegenstelling tot anderen: brood met beleg.
Boterham zou zomaar kunnen komen van het woord boteram, of met dubbel r: boterram. Vroeger werd een snee brood ook wel rammel of remmel genoemd. Ik rammel van de honger. Het woord ham kan ook komen van een afgesneden stuk eten. Een ham. Beboterd brood dus met een ham. En wie weet is ham wel een verbastering van het woord homp. Een homp brood of vlees: een dik afgesneden stuk.
Al kennen wij sinds de winter van 44 géén honger meer. Bij een niet nader te noemen oom van mij moest ik vroeger wel eens een boterham met tevredenheid eten. Traumatisch event en woord. Geef mij maar een aangeklede boterham. Beleg met een plak brood dus. Van mijn Moeder kreeg ik ook wel een klein taartje mee naar school, zo werd een dubbele snee brood met boter en speculaas genoemd.

Dus vanaf nu voor mij geen boterham meer, nee, een plak brood, of een snee brood. Mijn Moeder sneed zeven scheven sneetjes brood.


En ik? Ik houd het maar op een snee brood. En een afgelikte boterham is weer héél wat anders.

woensdag 4 juni 2014

Vriendschap en sport

Sport verbroedert. In veel gevallen ja! Neem de Olympische Spelen, de Maccabiade, of andere grote evenementen. Maar hoeveel vrienden heb je in hemelsnaam overgehouden aan je sportcarrière?
Ik heb veel vriendjes gehad op de lagere school. Een paar blijven over. Een enkeling als vriend. Veel klasgenoten betitelde je als vriend. Wist je veel. Een paar zijn helaas uit de tijd. Van de HBS heb ik er eentje over. Hans. Je moest naar school, net als al die anderen. Dat was de drijfveer. En toen zat je met wat lui in de klas. Zo wilde ik coute que coute hockeyen. Vanuit school was er een band met één van de twee hockeyclubs, die op 200 meter afstand van ons huis in het park ‘Marialust’ gehuisvest was. Hockeyen was het doel. Hoog. Winnen. Dat soort motivaties. En je was geheel afhankelijk van wie zich aandiende als teamgenoot. Uit mijn eigen actieve hockeytijd zijn het ’t meest passanten geweest.
Nu met Facebook verzamel je, of word je verzameld, Facebook vrienden. Vrienden van de achttien die in het Nederlands Joods elftal zaten op de 11e Maccabiade 1981, gouden medaille, zijn zeldzaam. Onno. En Wim, de knijper, fysio. Ik wens niemand tekort te doen, of te beledigen, maar kennelijk is het nu eenmaal zo. Dat je allemaal een gemeenschappelijk doel hebt, maar niet dat je primaire gedachte is ik ga maar ’s hockeyen om vrienden te maken. Dat je mooie momenten met elkaar meemaakt is evident. Die worden herinnerd. En zo ontmoet ik op zijn initiatief mijn ouwe elftalgenoot van méér dan 45 jaar geleden. Jean-Marie. Door mij en anderen Marietje genoemd. Ik doe het nu iets sympathieker en is hij Marie geworden. Lang, lang geleden is hij vertrokken naar Oregon (US). Succesvol componist, dirigent, koorleider, muziekdocent, pianist. Via Facebook hebben we veel plezier. Ik herinner me zijn pianospel op menig hockeyclub, alwaar de hete aardappel in de strot hebbende tegenpartij en gastheren, zich verslikten in zijn pianospel en ons gezang. De meest gore limericks en andere vunzige liedjes van Bolle Jan werden met luide stem en veel bravoure opgevoerd. Bekend waren zijn geïmproviseerde vertellingen op de piano van diverse mensen en dan moesten wij raden wie hij uitbeeldde. In een deuk. En wij wonnen altijd, het Eerste van Ares, de bierestafettes. En zo hadden we gratis bier.
Blogs, boeken kan ik vullen met mijn sportverhalen, maar waar ik naar toe wil is het volgende. In sport ken je namelijk helemaal geen vriendschap. Bekenden ben je van elkaar. Met een gemeenschappelijk hobby. Of drang naar topprestaties. Vul maar in.
In 2008 ben ik 52 jaar jong. En nooit te oud om wat te leren. We hebben de Olympische Spelen in Beijing (Peking).  De Nederlandse roeisters Marit van Eupen en Kirsten van de Kolk winnen goud op de dubbeltwee lichtgewicht. Zij zijn, ik meen het, échte sporthelden. De lange weg, de Ausdauer, de spirit, het doel. Zeer aansprekend. Wat ook bewondering vermag is dat Van de Kolk werkzaam is op de Johan Cruijff University. Dán heb je een sporthart. Van Eupen is dé topsportster van Nederland. Alles staat zo’n beetje op haar palmares. Vaak geëerd en geroemd.
Zij worden – ik zie het nog voor me - op televisie geïnterviewd vanwege hun grootse prestatie: de gouden plak. Er wordt gesproken over de enorme inzet van beiden en alle effort en tijd die erin gestoken moet worden om zó ver te komen. Weet ik veel hoeveel uur trainen per dag. Zes dagen in de week. Alles passeert de revue. Dan komt er de volgende vraag: “Jullie zullen dan wel de beste vriendinnen zijn, toch?”
Van Eupen: “Wij zijn de beste collega’s”.

Mijn mond ging en mijn ogen gingen open. Precies! Dát is het!